01-05-06

De Raadplaats

Geen inwoner van Anderlecht die weet waar de Raadplaats is, tenzij dan de postbode. Maar als je aan mensen vraagt waar het gemeentehuis ligt, zullen velen je de weg erheen wijzen. Laat nu net dat gemeentehuis het gezicht van de Raadplaats zijn. Het werd gebouwd door een architect die al heel wat militaire gebouwen op zijn naam had staan. Vandaar zijn strakke gevel en strenge uitstraling. Vorig jaar vierde het in alle stilte zijn honderdjarig bestaan.

 

Iets meer geluid was er bij het koninklijk bezoek. Toen prinses Mathilde in het Erasmushuis in Anderlecht haar kinderen ter wereld bracht, kwam haar gemaal prins Philippe zijn kind inschrijven in het gemeentehuis. Of er een wilde volkstoeloop mee gepaard ging en horden mensen aan dranghekken een glimp van de kersverse vader wouden opvangen, betwijfel ik. Laat staan of de bewoners van dit plein en deze wijk wel hem wel kennen? De talrijke nieuwe Belgen die hier wonen waarschijnlijk niet. Zij hebben andere helden. De oude Anderlechtenaars die hier geboren en getogen zijn en deze plek niet willen verlaten, wellicht wel, Och, madammeke, weilen zein hier gebore en nen aven buum, da verplant ge toch nie, hé. Kom, weile zein voesch. En weg zijn ze, hun huizen in. Wie niet in hun huizen schuilen, maar vredig op de bank naast elkaar zitten, zijn vier oude mannen met een grijs baardje, witte pots op het hoofd en grijze lange jas aan. Ze zitten hier en kijken naar wie en wat er om en op het plein beweegt. Weinig, bitter weinig. De vlaag van woede en geweld die dagenlang de grote Franse steden teisterde, is niet overgewaaid naar Anderlecht.

 

Het plein is een oase van rust en kalmte. Ik stop voor de bakker op de hoek waar mierzoete Arabische koekjes torenhoog in het uitstalraam opgestapeld staan. Het is er een drukte van jewelste. Mensen komen af en aan. De zaakvoerder bedient snel zijn klanten en schakelt probleemloos over van Frans naar Arabisch. Nederlands is onbestaande. Het aanbod is ruim en divers: Franse ‘baguettes’ en ‘ficelles’, platte Arabisch broden en pannenkoeken, boterkoeken met of zonder rozijnen, croissants, roomsoezen, éclairs, feestelijk uitziende taarten in zeemzoete kleuren als lichtgroen en roze en bovenal de onvolprezen Arabische gebakjes. Aan hun lokroep kan ik niet weerstaan. De man lacht me vriendelijk toe en houdt me de gebakjes in een neutraal wit zakje over de toonbank voor. Wanneer ik de winkeldeur sluit, valt m’n blik op een promotiereis naar Mekka. Ooit was het anders. Toen ik een tiental jaar geleden voor de eerste keer langs de bakkerij liep, was de winkel verdeeld in een respectievelijk Europese en Arabische helft. In de Europese etalage lagen de Westerse broden en koeken, in de Oosterse etalage lag het mierzoete gebak en de ronde platte broden. Op de deur stonden zusterlijk naast elkaar een affiche voor een busrit naar Lourdes en een promotieprijs voor de hadj. De man zal toen ook niet mijn verbaasde blik begrepen hebben wanneer hij me met een allerbeminnelijkste glimlach m’n koeken overhandigde in een maagdelijk wit zakje waarop de letters ‘maandverband’ prijkten. Wellicht heeft iemand hem erop attent gemaakt dat de zakjes die hij tegen een gunstprijsje op de kop had kunnen tikken een vreemde combinatie vormden. Want de volgende keer waren het geen wegwerpzakjes meer, maar zakjes van een bakker uit een West-Vlaams dorpje met dertig zielen. Bij gebrek aan klandizie had hij er wellicht de brui aan gegeven en was zijn geluk gaan beproeven in een industriële bakkerij wat verderop of in een kantoor in de hoofdstad.

 

Wat past beter bij een mierzoet taartje dan een kop hete muntthee? Ik steek de straat over, keur de verschillende bosjes en kies er tenslotte het meest geurende uit. Wanneer ik op straat m’n portefeuille bovenhaal, vermaant de allochtone winkelier me heftig gesticulerend vanachter zijn raam binnen te komen. Eenmaal binnen, wordt ik op een tirade vergast van hoe dom het van me is om m’n portefeuille te openen op het plein in open lucht en niet discreet in de winkel. Met al die verdachte figuren op straat. Waarop goedbedoelde raadgevingen volgen: ‘Sluit je tas goed af, nee, niet gewoon dicht, ook met de riemen’. Ietwat verbouwereerd stap ik buiten. Nog nooit ben ik hier bestolen en steeds weer zijn het nieuwe Belgen die me wijzen op mijn nonchalant gedrag.

 

De bank op de hoek heeft haar deuren gesloten. Het politiecommissariaat dat er vervolgens zijn intrek nam, is op zijn beurt ook weer verhuisd. Andere winkels op of rond het plein verkopen waren die je nergens anders vindt. Stel dat stenen zouden kunnen spreken, welke verhalen zouden deze van het stadhuis dan vertellen? Honderd jaar heeft het mensen zien komen en zien gaan. De klok van het stadhuis mag dan wel blijven stilstaan, de tijd heeft daarom niet stilgezeten.

 

21:09 Gepost door lila | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.